Terug
AFSCHEIDSREDE


Florent Smet, mijn grootvader, kende veel mensen en is dus vaak naar begrafenissen geweest. Dat was belangrijk voor hem. Bovendien was hij diep gelovig en erg bezig met de dood. Maar waar hij zich dikwijls aan ergerde, was dit soort toespraken. Hij zou zelf niet gewild hebben dat hij opgehemeld werd, want hij vond dat aan iedere mens ook slechte kanten zaten en dat die evenzeer deel uitmaken van het leven en de dood. En van de vele wijze levenslessen die hij me meegegeven heeft.
Het is moeilijk, wat zeg ik, onmogelijk, Florent Smet in een tekst te bevatten. Een tekst waarin ik hem bovendien niet mooier kan afschilderen dan hij was. Hij hield niet van teveel woorden, te mooie woorden. Maar waar hij wel van hield, was pozie. En dan vooral van Guido Gezelle. En aangezien ik met deze tekst poog te zeggen wat hij graag gehoord zou hebben: wat kan ik dan beter doen dan een gedicht voor te lezen van zijn lievelingsdichter? Het gedicht doet met woorden wat Florent Smet deed met zijn doeken: het is een lofzang op de distel.





Ge'n weet niet, die, in stad gewend
te wonen, maar Gods koorne en kent
wanneer het, brood bedegen,
en voedzaam, u wordt voorgeleid,
hoe heerlijk is de uitwendigheid
van t groene, langs de wegen.

Van t groen, dat hooge en leege groeit;
van t groen, dat in de weiden bloeit;
van vogelvitse en krokke;
van wegbree, murke en roozewied;
van onderhave en retse en riet,
van distel en van dokke.

Ach distel, ik en kende maar
van zeggenswege uw streuvelhaar;
Men schuwt uw' scherpe bladen;
doch, hij en scheldt onnut u niet,
die t schoone in al Gods werken ziet,
en t goede zoekt te raden.

Men scheldt... of, erger nog, men hoort,
van wetswege, en bij koningswoord,
gebannen en geboden,
dat t distelvolk men, een en al,
te zeisene en te spade, zal
verdoen, en de eerde uit roden.

Bermhertigheid, voor t schamel wied,
eilaas, dat ge al te ongeren ziet:

Aanschouwt, op elken staf, hoe lief
elk distelhoofd zijn' blommen hief,
geheel of half maar open;
hoe net, van niemand aangeraakt,
een' krage om elke blomme blaakt,
vol verschen dauw gedropen.

Aanschouwt hoe t schubbig distelhaar
omspannen hangt, vol Godssamaar,
vol kobbenetsche kanten;
die roeren in den zonnenlaai,
die blinken in elk windgewaai,
vol stof van diamanten.

Hoe t wikkelachtig witje wipt,
alhier, aldaar, verlekkerlipt
om t zijne, uit al de bloeien,
te ontsnoepen aan de krabben bie'n,
die t, nijdig, elken distel zien
bezoekend henenspoeien.

k En rieke, alwaar men lieflijkheid
van zalvende olie toebereidt,
geen' aangenamer' roken
als die, des zomers, vroeg en laat,
daar t distelt en vol blommen staat,
de distelblommen stoken.

Aanschouwt, op de oude toppen, hoe t
gevlugde zaad omhooge woedt,
en waait voor alle winden,
om ievers, daar t geen ziele en zag,
den vrijen hergeboortedag,
onsterflijk, wer te vinden.

Zoo leeft gij, distels, immer voort,
van wetswegen en bij koningswoord
verboden en gebannen;
en, schoon zij, om uw schamel zaad
te worgen daar t gewonnen staat,
zoo lange al samenspannen.

t En zal, verdiend of onverdiend,
t en zal u, distel, niemandsvriend,
minachtend ooit versmaden,
dit Vlaminghert, dat t baten niet,
maar t schoone in al Gods werken ziet,
en t goede zoekt te raden.


Zijn liefde voor de natuur, maar specifiek voor de distel, was groot. Het is niet vanzelfsprekend om iets ondergewaardeerds als de distel te verheffen tot voorwerp van je kunstwerken. Het zegt iets over zijn karakter, vind ik. Tegendraads met een afkeer van conformeren. Maar ook die distel zelf vertelt iets over hem. Die distel vertelt dat hij een beetje een eenzaat was. En zwijgzaam. En fier, maar bescheiden. En sterk. En misschien niet echt mooi op het eerste gezicht. Maar prachtig met de juiste belichting. En zo zal de distel ook verder leven. In ons. In zijn schilderijen.